
Choir of King's college, Cambridge -
The psalms of David (EMI 2003)
![]() |
| Onderstaand stuk schreef ik in 2004
voor het personeelsblad van de Basisbibliotheek Maasland. In die periode
was ik bezig om een aantal lezingen te organiseren over de té ver
doorgeschoten individualisering in onze Westerse samenleving. Deze cd en
een cd van Boudewijn de Groot vergezelden me in dat voorjaar (HvD
dinsdag 15 maart 2005) Seringen Toen L. en ik jaren geleden trouwden kochten we veel dingen nieuw. De Harense smid was er goed mee. Een koelkast, diepvries, wasmachine en die soort spullen. Maar onze eerste kast in de woonkamer was een afdankertje uit een rommelwinkeltje. Daar was niks mis mee. In de jaren daarna werden langzamerhand veel van die spullen door nieuwe vervangen. Zo ging het ook met onze tuin. Nou ja, tuintje. Vader en moeder M. en van D. woonden toen nog op een boerderij met veel grond en daardoor veel struiken, vaste planten en bomen. Zo werd ook een paarse sering naar de tuin in U. verplaatst. En na de verhuizing naar G. werd een ander exemplaar in G.-se grond gepoot. Maar hoe gaat dat. Dingen raken uit. Andere zaken dringen zich op de voorgrond. Een sering is dan toch maar een saaie struik, waar maar een paar weken in het jaar iets aan is. Dus ergens eind jaren tachtig verdween die sering uit ons tuintje. Zo gaan die dingen. Maar dit voorjaar moest ik om diverse redenen steeds aan die gesneuvelde sering denken. Die sering heeft de afgelopen weken mythische proporties gekregen. Die gesneuvelde sering symboliseert iets. Zondag 29 februari vierden we het feit dat de muziekafdeling in Oss zestien jaar geleden begon met het uitlenen van cd’s. Die dag starten we ook met een nieuwe actie. Mensen kunnen een oude cd uit hun eigen collectie aan de bibliotheek schenken en mogen in ruil daarvoor gratis een andere cd lenen. Een redelijk succesvolle actie. Die nog steeds loopt. Uit de gids of de krant(en) had ik opgepikt dat er die avond wellicht een interessante uitzending zou zijn. Voor alle zekerheid de recorder aangezet. De VPRO liet die avond in de reeks Tegenlicht de mij onbekende filosoof Ad Verbrugge aan het woord. De titel was Bevangen in vrijheid. Een week eerder werd in dezelfde reeks nader ingegaan op de opvoeding in deze moderne tijd. Daar had ik een flard van gezien. Flarden die een mens moedeloos kunnen maken. Maar de reeks sneed absoluut een fenomeen aan dat bestaat en niet verdwijnt door het te negeren. Het aanzetten van die recorder was het beste wat ik dit voorjaar heb gedaan. Ad Verbrugge sneed in het uur dat de uitzending duurde zoveel aan dat er toe deed. Achteraf blijkt Verbrugge een keer uitgeroepen te zijn tot de “beste leraar” van het land. Ad Verbrugge is filosoof aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Ik schat dat hij rond de 38 jaar oud is. Je ziet hem tijdens de uitzending naar woorden en zinnen zoeken om duidelijk te maken wat hij wil betogen. Hij wil niemand botweg zijn mening over iets ontzeggen. Bij de meest kwalijke dingen zegt hij niet dat het om iets verwerpelijks gaat. Nee, hij zegt dat hij er een ander concept tegenover wil stellen. In de uitzending laat Verbrugge beeldfragmenten zien die voor hem aanleiding vormen om zijn “punt” te scoren. Kern van zijn betoog is dat de individualisering van onze westerse samenleving té ver is doorgeschoten. Te veel burgers denken alleen aan zichzelf. Staan er te weinig bij stil dat er ook nog zo iets als de samenleving is. Die volstrekt doorgeslagen individualisten denken dat ze gedrag vertonen dat uit hen zelf voorkomt. Verbrugge toont aan dat het vaak om zelfbedrog gaat. Te veel mensen denken ten onrechte dat ze uit vrije wil dingen doen. Dat zij zelf aan het stuur van zich zelf staan. Realiseren zich niet dat juist dit idee van vrijheid een misvatting is. Dat gevoel van vrijheid leidt juist, hoe paradoxaal, juist tot de meest verschrikkelijke dingen. En hij toont aan dat veel personen die té veel met zich zelf bezig zijn niet alleen de maatschappij, maar juist ook zichzelf in de problemen brengen. En juist door te veel met zichzelf bezig te zijn zichzelf juist niet vinden. In de uitzending laat Verbrugge een fragment zien uit een documentaire van tien jaar geleden. In de documentaire volgt een cineast het laatste jaar dat zijn vader als boer actief is op zijn bedrijf. In “Het is een schone dag geweest” vraagt documentairemaker Jos de Putter op zeker moment aan zijn vader hoe hij zijn laatste jaar persoonlijk ervaart. Vader moet lang nadenken, neemt nog een slok van zijn thee en vraagt na een ruim een minuut stilzwijgen aan zijn zoon “Persoonlijk, hoe bedoel je?“ De zoon is het prototype van de moderne burger die alles, maar dan ook alles in het leven op zichzelf betrekt. Vader denkt vanuit een ander verband. Een groter verband, waar hij als boer deel van uit maakt. Vader heeft hoogstwaarschijnlijk een jaar of vijftig zijn boerenbedrijf gerund. Had geen behoefte aan vakanties. Nam tegenslagen zoals ze kwamen. Het bedrijf en zijn leven gingen hun gangetje. Hij stond niet vol stress. Hoogstwaarschijnlijk was hij op zijn manier volstrekt gelukkig met zijn leven. Zijn bedrijf en leven vielen samen. Al wat hij nodig had was lekker bezig zijn. Hij zat om het modern te zeggen in een “flow”. Een psychologische staat waarin iemand lekker bezig is. Waarin de tijd vanzelf verstrijkt. Een toestand waarin het woord verveling niet voorkomt. Die uitzending vormde de reden om kranten en tijdschriften anders te gaan lezen. Op zoek naar elementen die Ad Verbrugge niet had uitgesproken maar waarschijnlijk wel bedoelde. Honderdduizenden mensen met psychische klachten in de WAO. Een toename van zinloos geweld. Ouders die allebei werken en geen tijd hebben hun kinderen op te voeden. Meer en meer alleenstaanden en gebroken gezinnen. Veel kinderen met de etiketten ADHD, dyslexie of nieuwetijds. Reclame die alomtegenwoordig is en de burger doorlopend behoeften aanpraat. Het verloren gaan van het gemeenschapsgevoel. Directeuren die zichzelf schaamteloos verrijken. De moderne burger wil iets én hij wil het nú. Toename van grote auto’s die zogenaamd veiligheid bieden aan de bestuurders maar té veel energie verbruiken en agressief overkomen op andere weggebruikers. Teksten in film, muziek en tv-series die verwerpelijk gedrag verheerlijken. Seksualiteit die te pas en te onpas in het publieke domein wordt getoond. De normen en waarden discussie van Balkenende. De opkomst van de zogenaamde conservatieven die terugverlangen naar een mythisch vroeger (de jaren vijftig?). Sinds God dood is kunnen burgers nergens meer terecht met hun zingevingvragen. Het aantal lezers van kranten en serieuze tijdschriften is al jaren aan het dalen. De beeldcultuur is alom. Mensen communiceren zich dood met hun e-mail, msn en mobieltje. Bedrijven en instellingen voegen aan hun producten en diensten emotie toe om het beter te kunnen verkopen. De nadruk ligt tegenwoordig op zelfverwerkelijking. Te veel mensen gaan uit van het adagium ‘ik denk” of ‘ik voel’ dus zal het wel waar zijn. Iedereen krijgt uiteindelijk zijn vijftien minuten van roem. Meer en meer flitspalen zijn nodig om mensen onder bedwang te houden die zelf wel bepalen wat de verkeersregels zijn. Geert Mak die in een toespraak waarschuwt voor een maatschappij die gebaseerd is op wantrouwen in plaats van een samenleving die uit gaat van vertrouwen in de mens. Honderdduizenden mensen kochten een bio-stabiel. En loop je tegen het volgende citaat aan: “Elke maatschappij heeft een voorstelling van de ideale toestand, waarin het aan niets ontbreekt. In de Middeleeuwen was dat het paradijs, voor de Grieken het ‘gouden tijdperk’, en voor de westerse wereld was dat de consumptiemaatschappij, waarin we ons zouden realiseren als individuen door te consumeren. Wij leven nu in die maatschappij, de ideale toestand is bereikt. We hebben alles wat we wilden hebben, behalve betekenis. We staan namelijk tegenover een wereld vol voorgefabriceerde betekenissen die we allemaal kunnen consumeren. De mens is een wezen dat zelf zijn wereld schept, maar wanneer alles in de wereld al gecodeerd is blijft er nauwelijks ruimte over om zelf betekenis tot stand te brengen. Het gevolg is een diepe verveling.” (Lars Svendsen. Filosofie van de verveling - NRC vrijdag 9 april 2004). Of psychiater Jeffrey Wijnberg die zegt: “Met veel problemen kun je heel goed leven” en “Mensen zijn zo graag slachtoffer, nou, ik gun ze dat niet” (Elsevier 3 januari 2004). Of Christien Brinkgreve die constateert dat jongeren later en later volwassen worden; of ze worden het nooit. Anderzijds zijn er volgens haar steeds meer oudere jongeren die zich al lang als volwassenen hadden moeten manifesteren (Vroeg mondig, laat volwassen). Bezig zijn met deze materie leidt al snel tot de conclusie dat vroeger alles beter was. Dat we met zijn allen bewust een soort mythisch paradijs hebben verlaten waarin iedereen steeds aan de ander dacht. Dat is natuurlijk onzin. Niemand kan terug naar die tijd. Bijna niemand wil het ook. Maar wat te denken van het volgende verhaal. Op een middelbare school in het midden van het land overlijdt op een zeker moment plotsklaps een 16-jarig kind van een docent. Op de website van de school worden door leerlingen berichten geplaatst waarin juichend op dit tragische gebeuren wordt ingegaan. De niet al te snuggere kinderen (hoewel het om een VWO-school ging) realiseren zich niet ze digitaal sporen achterlaten. Zeven leerlingen worden betrapt. Naar de conrector. Die stelt voor dat de kinderen de rest van het jaar als straf op een andere school les gaan volgen. Na de boeteperiode mogen ze in het nieuwe schooljaar terugkomen. Streng, doch rechtvaardig. Nietwaar. Maar dan komen de ouders van deze kinderen met een advocaat terug en stellen op hoge poten dat niet alles volgens de juiste regels is afgewerkt. Ergo, of de school de strafmaatregel wil intrekken. Dan zakt dus letterlijk en figuurlijk je broek af. Kinderen die niet snappen waar het om gaat. Maar ouders die helemaal los zijn van de wereld. Alles draait immers om hun kroost en hun verwachtingen voor hun toekomst. In diezelfde periode was er zoals altijd de muziek. Thuis. Dit voorjaar sprongen er twee cd’s uit. En, verhip, toevallig, die cd’s hadden iets met Verbrugge en mijn zoektocht naar verbanden te maken. Vorig najaar waren er maar liefst twee campagnes van de klassieke muziekvakhandel. Kern van deze acties is dat je een verzamelcd koopt. In elke verzamelcd zitten cheques waarmee je korting krijgt op de aanschaf van een twintigtal voorgeselecteerde cd’s. In de ene campagne werden bijvoorbeeld de filmmuziek van Hable con ella en The hours van Philip Glass aangeboden. En The psalms of David. Gezongen door door the Choir of King’s college uit Cambridge. Op EMI. Een dubbelcd uit 2003. Zesendertig psalmen. Gemiddelde duur twee minuten. Allemaal in het Engels. Muziek van volstrekt onbekende componisten. Maar wat is het mooi. Zo’n koor. Hoge en lage mannen- en vrouwenstemmen. En wat wordt er veel afge-praist. Praise the Lord. Help me Lord. The Lord is King. God is our hope and strength. Nooit gedacht dat ik dat nog eens mooi zou vinden. Sterker. Dag en nacht draaien. Hard. Als iedereen naar bed is nog iets harder. De opnames zijn gemaakt tussen 1968 en 1974. De teksten doen er voor de koorleden waarschijnlijk (nog) wel toe. Hoe troostrijk als je daarin kunt geloven. Als je uit volle borst zo je God toe mag zingen. Een soort jaloezie. Een terugverlangen naar een tijd dat je als gelovige op kon gaan in het grote geheel van een geloofgemeenschap. Iets wat in Nederland alleen nog is voorbehouden aan aanhangers van de E.O. Niemand in Berghem durfde nog hardop uit te spreken dat God had gewild dat die moeder haar drie zoontjes met zich meenam in de dood. Het personeelsuitstapje bracht ons dit jaar op een rustige maandag naar Arnhem. Ieder kon daar de middag op zijn eigen manier doorbrengen. Arnhem ligt nooit op mijn pad. Iemand had me attent gemaakt op een bepaalde platenzaak. Bergmans. Een zaak met ouderwetse kwaliteit. Die streeft naar een ruime sortering. Personeel met kennis. Niet té veel aandacht besteed aan het interieur. Zeg maar gerust rommelig. Daar stonden maar liefst 8 cd’s van the Choir of King’s college. Acht cd’s uit een serie van tien met de psalmen van David. Full price. Dat wel. Het houdt nooit op! De tweede cd die er dit voorjaar toe deed had te maken met die seringen. Boudewijn de Groot eerde dit jaar zijn bijna twee jaar geleden gestorven vriend Lennaert Nijgh. Dé Lennaert Nijgh die op een regenachtige avond in november door spreker/diskjockey Vic van de Rijdt in Vivaldi in Oss werd herdacht. Aan het begin van een avond Duitse plaatjes draaien. Op Het eiland in de verte staan acht liedjes die gebaseerd zijn op teksten van Lennaert Nijgh. Het land van koning Jan is wat mij betreft het prijsnummer. Een jongen kijkt terug op zijn jeugd. Een tijd waarin hij met zijn zusje een mythisch koninkrijk bewoonde: het land van koning Jan. Een land dat ergens achter in de tuin van zijn ouderlijk huis lag.
Wij vertelden elkaar vroeger van het Land van koning Jan Heel ver achter in de tuin waar niemand kwam Behalve jij en ik en soms jouw poppen en de poes Bergen en rivieren en steden eeuwenoud Riepen wij met een paar woorden uit het zand En we hoorden elkaar denken Buiten ons bestond er niets En de hele wereld lag in onze hand
Was het maar zo simpel. Konden we met z’n allen maar terug naar zo’n wereld. Geen gejakker meer. Niet meer bezig hoeven zijn met het najagen van individuele zaken. Terug naar een tijd dat we één waren. Broer en zus die aan één woord genoeg hadden om elkaar te begrijpen. Eén lange flow-zomer.
Maar in het tweede couplet dient het onheil zich reeds aan. Maar het manifesteert zich nog niet. Zus en broer blijven nog één. Maar toch wringt er iets. Ze snappen het op dat moment zelf nog niet. De Jan die als volwassen man terugkijkt op die hemelse zomers snapt het wel. Maar wil zijn gedrag van toen toch niet afvallen. Broer en zus zijn nog één, maar al bezig om individuen te worden.
In het derde couplet is de breuk compleet. Broer en zus gaan voortaan gescheiden verder door het leven. Het Land van koning Jan hebben ze definitief verlaten.
Madeleines zijn de beroemde koekjes van Marcel Proust. Het dopen van zo’n koekje in een kopje thee veroorzaakt een bepaalde geur. Die hem terugbrengt naar vroeger. Lennaert Nijgh doet in Het land van koning Jan hetzelfde door seringen in de refreinen op te voeren
Daar onder de seringen ver van onze ouders thuis Lag het Land van koning Jan op ons te wachten (1e refrein) En
Daar onder de seringen ver van alle mensen thuis Beleefden we een eindeloze zomer (2e refrein)
En
Als ’s zomers de seringen bloeien bij het oude huis Zou ik daar maar beter niet meer moeten komen Wat wij voelden jij en ik hoort bij de mensen nergens thuis In het Land van koning Jan sluit ik mijn ogen Voor de grote lege wereld om me heen De grote lege wereld om me heen (laatste refrein)
Verdreven uit het paradijs. Omdat dat nu eenmaal moet. Iedereen moet volwassen worden. Ieder wordt een individu. Maar de weemoed druipt er van af.
In onze tuin in G. staat inmiddels weer een sering. Maar niet zoals vroeger. Het is zo’n modern, gekloond exemplaar. Waar het tuincentrum waarschijnlijk meer aan kan verdienen. En de mensen vragen er toch om. Ze willen niet meer zo’n sering van vroeger. Met donkerblauwe, bijna paarse bloemen. Met die bijzondere geur. Zo’n geur van vroeger.
Ad Verbrugge, de psalmen van David en de seringen van koning Jan hebben geleid tot een viertal lezingen op de zondagmiddag in De Groene engel. Titel: Waarom ik een probleem werd voor ons. Filosoof Ad Verbrugge, socioloog Herman Vuijsje, publicist Hans Wolf en wetenschapper Bas Haring zijn de derde zondag van november, december, januari en februari te gast. In de zaal zullen in de bloemenvazen (helaas) geen seringen staan. De sprekers belichten elk op hun eigen manier het thema en geven stof om over na te denken. En mocht inmiddels het idee zijn ontstaan dat vroeger alles beter was. Dat we terug moeten naar dat mythische vroeger dan is dat een misvatting. Ten eerste is dat volstrekt onmogelijk en ten tweede was voeger ook niet alles rozengeur en maneschijn. Boer de Putter heeft beslist ook zijn moeilijke dagen gehad. Maar het kan geen kwaad als een viertal geleerde mannen ons een spiegel voorkomen houden. Iets minder ik, en iets meer wij. Alle vier hebben hun medewerking toegezegd: ik kom er aan!
HvD, maandag 28 juni 2004 |